Schotlandavontuur voorjaar 2003

Door kees Berndes

 

Ik kan het niet laten. Waar het hart vol van is, loopt de mond (in dit geval het papier) van over. Zoals vele van de Magnavrienden –en vriendinnen inmiddels weten heb ik iets met Schotland. Of het nu de rijke historie, het adembenemende landschap, de cultuur, de mystiek of de gastvrijheid van de Schotten is, ik weet het niet. Het lekkerste drankje ter wereld wordt er natuurlijk gemaakt, en dat kan ook een rol spelen.

 

Ik wordt er in ieder geval naar toe getrokken als een Magneut naar z’n Magna, als een mot naar de kaars, als een vallende steen naar de aarde. Er is niets aan te doen, ik moet daar naar toe.

En dan sta ik op enig moment hoog in de leegte en stilte van de Highlands, vlak bij een diep zwart meer – glad als een spiegel, een adelaar draait cirkels boven mij en vindt dit alles heel normaal. En het enige wat ik dan heel zacht kan uitbrengen is: tjonge…jonge…jonge…wat mooi. De schepping is een groot mysterie, maar ik heb daar het gevoel dat ik er helemaal deel van uit maak.

Dan kijk ik in verwondering om me heen, in stilte, en voel me weer heel.

 

Ik weet zeker dat een aantal van de deelnemers aan de Schotlandreis 2002 deze ervaring herkennen en inmiddels ook aangestoken zijn met dit vreemde virus.

 

Afgelopen juni was het weer zo ver. Samen met m’n maat Rob reis ik op een donderdag af naar IJmuiden, om daar de ferry naar New-Castlle te nemen, richting Noord-Engeland en Schotland.

We voelen ons uitgelaten als jongens op een schoolreisje met alleen maar mooie meiden en aan boord snellen we direct naar het bovendek om in de zon te genieten van een groot glas bier. Een meereizende dixielandband heeft er zin in en trakteert het hele gezelschap op een geweldig stuk muziek.

Na een heerlijke maaltijd aan boord zoeken we de nachtclub op waar we, onder het genot van de nodige pinten, aangenaam worden vermaakt door een goed orkest en lieftallige, schaars geklede danseressen.

Een gladde zee, een mooi vooruitzicht en aangename dromen zorgen ervoor dat we de volgende morgen, vrijdag, na een goed ontbijt, verkwikt aan dek staan terwijl we de haven van New-Castlle binnenvaren.

 

Snel de motoren opzoeken, starten en van boord. Links rijden – even wennen – en dan op weg naar het eerste B&B-adres in Callander, Schotland.

In het zonnetje rijden we richting Schotse grens via de doorgaande route, die overigens dwars door The Cheviot Hills loopt en schitterende uitzichten biedt. Rustig tuffend en vooral veel om me heen kijkend volgen we een route door de Tweed Valley. De weg slingert zich over groene heuvels en door stille bossen. We passeren eeuwenoude dorpjes en het zachte ochtendlicht schildert patronen op de glooiende heuvels, waar de schotse runderen ons aan staan te gapen.

 

De wegen zijn leeg, de dorpjes rustig en het zonnetje schijnt. Wat wil je nog meer? De Magna snort van genoegen en in Peebles stoppen we voor een Schotse lunch in de plaatselijke pub. Dan denk je aan een sandwich of een uitsmijter. Maar nee, als ze in Schotland gaan lunchen dan moet er ook gegeten worden. Een bord met heerlijke gebakken aardappelen, fijne groente en een lekker stukje stoofvlees wordt op tafel gezet.

Ik zie de andere gasten daar grote pinten lokaal bier bij wegwerken en ik vraag me werkelijk af hoe die mensen in staat zijn na de lunch weer aan de slag te gaan.

Na de lunch een half uurtje uitbuiken, op een bankje in de zon op het dorpsplein, met een fijne sigaar in de snufferd.

 

De Lowlands inrijdend naderen we de oude hoofdstad van Schotland, Stirling. Stirling castle torent hoog boven de oude stad uit en ik krijg een visioen van de bloedige veldslag die zich hier in 1200 heeft afgespeeld bij Stirling Bridge. Onder leiding van William Wallace hakten de Schotse clans de Engelse legers hier in de pan.

Via een groene route, dwars door de bossen, naderen we Callander. Het landschap ademt geschiedenis en de bergen van de Highlands tonen zich in de verte. De toppen verborgen in de wolken.

 

Na enig zoeken vinden we het B&B-adres even buiten Callander, in het begin van de Trossachs, een dromerig landschap met daarin het mooie Loch Katrine. Hier schreef Sir Walter Scott zijn beroemde ‘The lady of the lake’. Daarin wordt ook de legende van Rob Roy verhaald, een lokale held die, verbannen door de toenmalige Engelse koning Willem van Oranje (jawel, onze vader des vaderlands), als een soort Robin Hood verzet bood tegen de lokale adel ten gunste van de arme bevolking. In Callander is daar een museum over ingericht.

 

 

In het B&B worden we gastvrij ontvangen door de landlady en ’s avonds rijden we terug naar Callander voor een Schotse maaltijd in één van de pubs.

En wie treffen we daar? Twee excentrieke Magnarijders, in het gezelschap van nog twee liefhebbers die zijn aangestoken door het Schotlandvirus.

Je raadt het nooit, we troffen Danny en Sandra in het stadje aan en spraken af in de pub. Het bleek dat ze een huisje hadden gehuurd in hetzelfde park als vorig jaar.

Het wordt die avond bijzonder gezellig en we nemen pas laat afscheid van elkaar. Terwijl onze reis pas begonnen is, gaan zij morgen al weer terug naar de boot. Helaas!

De volgende morgen, zaterdag, na een goede nachtrust en een uitstekend Schots ontbijt,  rijden we in stralend weer bij Killin de Highlands in. Killin is overigens een bijzondere plaats. De Dochart stroomt via een brede stroomversnelling met donderend geweld door het dorp. De witte huisjes staan tegen elkaar aangeleund en in het hele dorp ruikt het naar bruinkool. De kachels worden in deze dorpen nog op bruinkool gestookt, omdat er geen aardgasleiding is aangelegd.

 

Via een klein weggetje – een one track road – beklimmen we de Ben Lawers. De weg slingert zich hoger en hoger en biedt een fantastisch uitzicht over het dieper gelegen Loch Tay. Aan de andere kant toornen de bergen hoog boven ons uit en de piek van Ben Lawers is in nevelen gehuld. Langzaam rijdend ontwijken we overstekende schapen en gaan op weg naar het hoger gelegen stuwmeer. Voor mij één van de meest bijzondere, magische plekken in de Highlands. Hier kom ik elk jaar terug om me één te voelen met alles wat is.

Bij het stuwmeer lopen we over de dam naar de overkant en lopen nog een eindje verder over de zompige heide. Verscheidene watervallen storten hun heldere water over de rotsen en het worden allemaal stroompjes. We gaan zitten op een brede rots en kijken stil en vol verwondering om ons heen. Om me heen kijkend zie ik plots iets glinsteren in het mos. Ik wil het oppakken, maar het zit behoorlijk vast. Na enig wrikken trek ik een vuistgrote witte steen uit het mos, waar het licht doorheen schijnt en de kristalvorming in de steen zichtbaar maakt. Schitterend, een cadeautje van de berg. Later vertelt Rina mij dat het Calciet is.

Vrede daalt op me neer en ik voel me tegelijk groot en klein als ik naar de kale berghellingen kijk. Ik voel niet alleen hoe hoog de bergen in de wolken reiken, maar ook hoe diep ze in moeder aarde steken. Ze waren hier al ver voor de mensheid en zullen ver na de mensheid als kiezels op snelstromend water worden meegevoerd naar verlaten stranden. Dat te weten geeft me rust en vrede. Het is allemaal goed. Ik voel me schoongewassen en opgeladen. Alle zorgen blijven achter.

We maken ons los en klimmen, nog diep onder de indruk, weer op de motoren. Stilletjes rijden we verder – we zijn veranderd, niet meer dezelfde – niets is meer hetzelfde.

 

We volgen een snelle bergstroom en komen in een dromerig landschap van hangende bomen terecht. Heldere beken snijden door het bos en hier en daar vangen we een glimp op van enorme bomen die er al eeuwen moeten staan.

 

 

Bij een hotel aan Loch Rannoch eten we een lekkere heerlijk broodje met tonijn op het terras, in het zonnetje (zie foto boven).

 

Dwars door de bergen trekkend, rijden we via Dalwhinnie – waar overigens een hele fijne whisky gestookt wordt, richting Fort William. De Ben Nevis, met 1344 meter de hoogste berg in Schotland, komt te voorschijn uit de nevel. Indrukwekkend!

De besneeuwde flanken van de berg schitteren ons tegemoet.

 

Later vertelt de landlady van het B&B in Fort William ons dat er normaal gesproken in juni nog op de berg geskied kan worden, maar dat er dit jaar te weinig sneeuw is gevallen.

 

 

Later die avond dineren we in een typisch Schots restaurant, waar ik me een enorme schaal met mosselen goed laat smaken. Tijdens de maaltijd worden we verrast door een traditionele Schotse band. Doedelzakken, een zangeres en een danseres. Heel bijzonder!

Het is wel leuk voor even, maar hierna zoeken we toch maar een pub op waar de lokale rockband muziek van de Stonens en Santana ten gehore brengt. Dat valt beter in de smaak, zeker omdat we in notime in gesprek raken met een stel Schotten, waarvan er één jarenlang in Groningen heeft gewerkt. Daar worden nog diverse pinten op gedronken en blijmoedig nemen we afscheid. Terug in het B&B stippelen we de route uit voor morgen, naar het mooie eiland Skye.

 

Zondagsmorgens kijk ik uit het raam en ja hoor, het regent. Het moest er eens van komen. Het maakt niet uit. Dit hoort ook bij Schotland en na een goed ontbijt bepakken we de motoren in de regen en stijgen op in de veronderstelling dat het wel spoedig droog zal worden.

We rijden naar Bavenie waar we Neptune’s Staircase bewonderen. Een complex van acht sluizen in het Caladonian Canal over een afstand van maar 460 meter, om 20 meter hoogteverschil te overbruggen. Een mooi stukje techniek dat al in 1822 werd aangelegd. Volgens mij verzopen we toen nog in Nederland bij elke springvloed omdat we nog geen hoge dijken konden aanleggen.

 

 

 

 

 

 

 

 

We volgen de stille kant van het kanaal en komen uit op de doorgaande weg naar Skye. Nog steeds onder dreigende regenwolken, maar net even droog stoppen we hoog in de bergen om de volgende foto te maken.

 

 

Voor ons ziet het er niet alleen imposant, maar ook zeer dreigend uit. Wat een landschap!

Later bleek dat we met de bui meegereden zijn. Het begon op Skye pas te regenen toe wij daar aankwamen.

Bij de five Sisters, vijf bergtoppen naast elkaar – helaas allemaal in de wolken, stoppen we voor de lunch. Snel de regenpakken uit die we van de vriendelijke uitbaatster mogen drogen in haar schuur, bij een kachel. Terwijl we zitten te genieten van de warme lunch komen er drie Nederlandse hikers binnen. Uit het verhaal blijkt dat ze al dagen aan het lopen zijn in de bergen, met hun hele uitrusting in enorme rugzakken gestouwd. Ze zien eruit als verzopen katten en één van hen loopt in een korte broek en op sandalen. Hij zit onder de rode plekken en beten. Dat wendt, zegt hij. Ze pakken alles uit en kleden zich ter plekke om. Al gauw is de vloer van de kleine lunchroom bezaaid met bemodderde kleding en schoeisel en loopt het water in plassen naar de laagst gelegen delen van de vloer. De lucht is niet te harden. Het ruikt naar ongewassen lichamen en uit de sokken, die op de kachel liggen te drogen, stijgt al gauw een geur op die lijkt op een mix tussen kruidnagelen en kattenpis.

En dan verklaren ze bikers, die gewoon in de regen blijven doorrijden, voor gek. Als wij onze natte sokken op de kachel leggen stinkt het in ieder geval nog naar leer en motorvet.

De waardin wordt er overigens niet heet of koud van en stapt over de natte troep heen om te vragen of ze ook zin hebben in een lekkere hete bak soep.

Ik vermoed dat ze wel vaker vluchtelingen uit Nederland over de vloer krijgt.

 

 

We stappen weer op en rijden door richting Kyle of Lochals, waar de enorme brug naar Skye begint. Onderweg komen we plots een schitterend kasteel tegen, op een eilandje in Loch Duich. Het blijkt Eilean Donan Castle te zijn uit 1220, één van de Highlands’ mooiste kastelen. Beschoten door een Engels fregat tijdens de mislukte Jacobietische opstand was het een ruïne tot de herbouw in 1912. Hier zijn onder andere delen van de film Brave Heart opgenomen, over het leven van William Wallace.

 

 

Nog steeds onder dreigende luchten stoppen we vlak voor Kyle of Lochals en zien Skye liggen en in de verte de brug.

Ondanks de regen en het beperkte zicht ben ik onder de indruk van de verlaten indruk die het eiland maakt en ik popel van verlangen die onbekende verten te verkennen. Een visserbootje tuft zachtjes – komend vanaf de Atlantische oceaan de haven binnen, begeleidt door krijsende meeuwen.

 

De rit over de lange brug geeft een fantastisch uitzicht over aan de ene kant Loch Alsh en de andere kant de Atlantische oceaan. Dit gedeelte heeft alweer zo’n poëtische naam “Inner Sound”. In de verte schemeren de rotspieken van de eilandjes Scalpay en Raasay door de nevel.

 


 

 

 

 

We rijden door in de richting van Portree, de hoofdstad van het eiland. Portree is een schilderachtige havenstad. De oorspronkelijke naam “Port an Righ” betekent letterlijk “haven van de koning”. In 1540 bezocht James V de stad en poogde de plaatselijke heersers over te halen hem steun te verlenen. Hij nam daar 12 oorlogsschepen voor mee!

 

Na Portree worden de wegen weer leeg en we rijden door een naakt landschap van zwarte turf en zwarte schapen. Na een paar kilometer slaan we een smal boerenpad in richting B&B. Het blijkt de ingang tot een mooie groene vallei te zijn waar een snelstromende rivier zich doorheen perst. Het weer klaart op en het late middaglicht schijnt tussen de laatste wolkenflarden over een betoverend mooi landschap. Glooiende groene heuvels met op de achtergrond een rotsmuur van basalt. Het eiland heeft een vulkanische oorsprong en dat is goed te zien. Tussen al dit moois zien we plotseling een wit huisje opdoemen. Dat blijkt het B&B te zijn. De oude landlady heet ons hartelijk welkom met koffie, thee en natuurlijk de traditionele Schotse koekjes. Het huisje is niet lux ingericht, maar ademt een sfeer van ouderdom en rust uit. In de zitkamer staat het vol met foto’s van verweerde vissers met enorme baarden en handen als kolenschoppen. De schoorsteenmantel staat vol met beeldjes en gepoetst koperwerk. Het lijkt kitscherig, maar dat is het niet. Het past precies en het is er knus en gezellig. Onze kamer is niet bijzonder, maar het is schoon en de bedden zijn goed.

 

 

’s Avonds rijden we richting Uig voor een avondmaaltijd. Het weer is inmiddels helemaal opgeknapt en er is geen wolkje meer te zien. In het zonnetje zien we de havenplaats verschijnen. Bij de plaatselijke pub wordt een ‘eenvoudige, doch voedzame’ maaltijd besteld, die we buiten op het terras opeten, met het zicht op de oceaan. In de verte is een gordel van eilanden te zien, de Buiten Hebriden, met de eilanden Lewis and Harris, North Uist en South Harris.

Onherbergzame oorden, waar alleen schapen, vissers en honderden vogels en zeehonden te vinden zijn. Het schijnt dat de trek van de walvissen boven deze eilanden langs gaat. Dat zou ik nog wel eens willen zien! Nou ja, misschien een andere keer.

 

Omdat het nog zo mooi is besluiten we na de maaltijd niet terug te gaan, maar nog een avondrit te maken over de rug van het eiland om helemaal via het meest westelijke puntje terug te keren.

Wat verschrikkelijk jammer dat ik mijn fotocamera niet meegenomen heb. Wat een landschap! Een heel smal weggetje slingert zich tussen de basaltformaties door, afgewisseld door okerrood gesteente. Op sommige plekken met heide en gras lopen er schapen, die zich uit de voeten maken bij al dat motorlawaai. Ik wil overal stoppen om het landschap in me op te nemen. Op het hoogste punt kijken we uit over een weidse oceaan, met daarin allemaal eilandjes en hier een daar een verloren, wit vissershuisje – de netten drogend tussen hoge stokken. Terwijl we om de westelijke punt heenrijden begint de avondzon de oceaan en het landschap rood te kleuren en weer moet ik stoppen. De motoren stil, alleen de wind en het verre gekrijs van meeuwen. We kijken elkaar aan in begripvolle verwondering en we weten niets te zeggen. Hier schieten woorden tekort! Gewoon stil staan in de wind en genieten.

Pas laat komen we terug in het B&B en niet lang daarna duiken we het nest in, moe maar voldaan.

 

De volgende dag, maandag, begint de dag prachtig. Hier en daar een wolkje, maar verder een blauwe lucht. Rustig ontbijten en dan weer op weg. We zijn van plan om in drie dagen het hele eiland rond te rijden om zo veel mogelijk te zien en zo weinig mogelijk kilometers te maken. Het blijkt dat je eigenlijk helmaal geen kilometers hoeft te maken om iets moois tegen te komen. Na elke bocht sta je weer versteld van het uitzicht en het verveelt nooit. We rijden zo maar een klein weggetje in langs de Westkant van het eiland en belanden alweer in een oase van rust. Verre klippen, eilanden in de verte en verder is er geen mens te zien.

 

 

De streken zijn verlaten, slechts hier en daar zien we een rest van een kasteel of toren en soms een wit huisje, boven op een klip, de wind trotserend.

 

 

 

 

Je komt geen industrie of iets dergelijks tegen en ik begin me af te vragen wat mensen in hemelsnaam op een dergelijk mooi maar woest eiland te zoeken hebben, anders dan om het te bewonderen. Er is werkelijk helemaal niets en ook deze eenvoudige mensen moeten toch middelen van bestaan hebben!

 

Dat blijkt even later, terwijl we Dunvegan Castle willen bezoeken bij Loch Dunvegan. Het woonhuis van de clan MacLeod werd gebouwd als een vesting in de 14e eeuw met slechts één ingang: een zeepoort. In het kasteel is de beroemde ‘Fairy flag’ te zien. Men beweert dat deze aan een MacLeod werd gegeven door zijn elfenvrouw. Volgens de legende zal deze vlag de clan beschermen op momenten van groot gevaar.

Terwijl we aan komen rijden komen er ook twee grote touringcars het parkeerterrein op. De oudjes rollen gezellig kwetterend de bus uit en vormen een rij voor de kassa.

Daar gaat de mogelijkheid om het kasteel in stilte te bezoeken en het mysterie op te snuiven.

De lust vergaat ons en we nemen alleen een kop koffie in de lunchroom.

We hebben gelukkig nog een ander doel aan het eind van de rit, de ‘Talisker Distillery’, jawel en dat is misschien wel zo leuk! Via allerlei verlaten weggetjes belanden we eerst nog bij een Celtic Silver Galery. Helemaal in the middel of nowhere. Binnen schittert ons het prachtige smeedwerk tegemoet. Mysterieuze vormen en cirkels, met allemaal een bijzondere betekenis – aarde, water en lucht. Magische vormen en barnsteen zijn verwerkt in de sieraden.

Zonder iets te kopen rijden we door en in de verte zien we het silhouet van de Cuillins scherp tegen de heldere lucht afsteken.


 

 

Op de een of andere manier werkt dit op mijn blaas en zeg nou zelf, er zijn wel mindere plekken om even je jongeheer de omgeving te laten zien. Ja, die zit de hele reis ingepakt in het leer en vraagt zich af waar we naar toe gaan. Nou, daar gaan we naar toe en nee, daar zijn geen mooie meiden! Koest, af, gaat legge!

 

Er schuift weer wat bewolking voor de zon, maar het blijft gelukkig droog. Die bergjes in de verte worden hoger en hoger en terwijl wij de afslag nemen naar de distilleerderij, bij Carbost, domineren de Cuillins inmiddels het uitzicht.

 

De distilleerderij bestaat uit een wit hoofdgebouw met daarbij een aantal bijgebouwen. Voor we de motoren stilzetten is al te ruiken wat voor lekkers hier gebrouwen wordt!

 

De enige echte Talisker malt whisky. Binnen kunnen we ons opgeven voor een tour terwijl we een heerlijke dram malt whisky van 15 jaar oud krijgen aangeboden. Dat is nog eens een ontvangst! De whisky gaat erin als een gebed in een dominee en met de ogen dicht genieten we even van deze godendrank.

De gids verteld ons dat er per jaar 1,5 miljoen liter spirit wordt gemaakt, waarvan maar 12% gebruikt wordt voor de speciale malt. Het overgrote deel wordt verkocht om in diverse blended whisky’s te worden gebruikt. In het stilhouse staan twee washstills en drie spiritstills. Koperen flesvormen van een behoorlijke grote, van waaruit, middels allerlei draaiingen in de tuit van de still door verhitting de spirit wordt verdampt en neergeslagen. Deze spirit heeft uiteindelijk een alcoholpercentage van 70%. Door verdunning wordt het teruggebracht naar waarden die liggen tussen 40 en 55 %.

Hij liet ons zes, larikshouten washbacks zien, elk met een inhoud van 53.000 liter! Toen hij even de deksel optilde kwam er een damp uit die het water in mijn mond deed lopen. Het was zeker 50 graden Celsius in deze ruimte en het rook er heerlijk. In deze washbacks komt de warme malt tot rust en zinken de resten van het gemoute gerst naar beneden. Na filtering wordt het in oude eikenhouten vaten of sherryvaten tien of meer jaren opgeslagen. Zijn bijzondere turfhoudende smaak krijgt de whisky van het turfhoudende water dat gebruikt wordt bij het distilleren. Er ontstaat zo een deksels lekker drankje en we konden de verleiding dan ook niet weerstaan en namen een flesje mee voor de avond.

 

Even buiten Carbost vinden we het gezelligste B&B van de hele reis. Het is een oud wit huis en John is de landlord. Het is een rustliefhebber van ongeveer 40 jaar. Onder het genot van een lekker glas whisky vertelt John ons dat hij eerder in Londen werkte bij de Royal Post. Hij raakte na een vakantie op Skye besmet met het verraderlijke Skyeritus en kwam elk jaar terug voor de rust. Uiteindelijk heeft hij gewoon z’n boeltje opgepakt en heeft dit huis gekocht op Sky. Hij woont hier nu permanent en leeft van de opbrengsten van B&B en heeft verder vier of vijf verschillende baantjes per jaar. In de haven, op de visafslag, in de kroeg of iets anders dat voorhanden is. Zo kan hij het net rooien. Hij heeft een goed leven en weinig wensen. Voor verbouwingen aan het huis gebruikt hij aangespoeld wrakhout. Ja, de Gamma vindt je niet op dit eiland!

Wat een leven! Dat zou ik ook zo wel willen en misschien, wie weet, komt het er nog eens van.

 

Een avondwandeling brengt ons bij de plaatselijke herberg waar we ons tegoed doen aan een heerlijke maaltijd met vis. We raken in gesprek met de landlord, die ons na een paar lokale biertjes begint te vertellen over zijn hobby: Het verzamelen van zoveel mogelijk soorten maltwhisky! Kijk, met die man kunnen we praten! Hij had al een indrukwekkende verzameling op de toog staan en wist de meest bijzondere details over de drankjes te vertellen. De details hebben we uiteindelijk ook geproefd, de ene met een lichte karamelsmaak en de andere met een pittige turfsmaak, die warm naar binnen gleed.

Ik werd de volgende morgen, dinsdag, wakker in dezelfde houding als ik in bed was gestapt en met de smaak van dooie ratten in m’n …

Last van een kater heb ik gelukkig nooit en na een frisse douche en een uitstekend ontbijt van gebakken eieren met bacon, gebakken champignons, black pudding en diverse stukken warme toast met marmelade en natuurlijk een paar bakken koffie was ik weer het heertje.

Ik stapte naar buiten voor de dagelijkse ochtendmeditatie en werd nat! Ja hoor, het regende weer. Zo’n miezerig regentje, dat overal naar toe waait! Het werd een grijze dag, onaantrekkelijk en guur.

Je kunt in Schotland niet wachten op mooi weer, dat moet je opzoeken. Dus, na een hartelijk afscheid van John op de motoren en richting Armandale, waar we met een ferry naar het vasteland van Schotland zouden worden gebracht.

In het laatste stuk van de route op Skye werd het weer droog en kregen we, rijdend langs de oostkust, een schitterend uitzicht over de baai “Sound of Sleat”. Aan de overkant konden we de Highlands door de wolken zien schemeren.

 

 

De overtocht verliep minder rustig dan de tocht van IJmuiden naar New-Castlle. Het bootje stampte behoorlijk door de aanrollende golven uit de oceaan. Het uitzicht was echter prachtig. Achter ons het silhouet van Skye, met de scherpe bergpieken van de Cuillins en voor ons de Highlands en de eerste witte huisjes van Maillaig, een vissersdorp en aanlegplaats voor de ferry.

Terwijl we bijna bij Maillaig waren zag ik plotseling een aantal dolfijnen met de boot mee zwemmen. Geweldig! Drie rugvinnen bogen boven het water uit om vervolgens weer onder te duiken. En natuurlijk had ik weer de camera niet in de aanslag. Nou ja, dan onthoudt ik dit gewoon wel.

 

 

Via een schitterende route, met aan de ene kant de witte stranden van Morar en aan de andere kant Loch Morar rijden we weer naar Fort William. Loch Morar is met 310 meter het diepste binnenmeer van het Britse eiland. Onderweg rijden we dwars door een vallei met bloeiende  rododendrons. De zoete lucht vergezelt ons kilometers verder nog! Deze weg heeft echt in elke honderd meter wel vijftig bochten en het gaat rustig rijdend verder. Door dichte bossen, onder overhangende rotswanden en door open valleien met hier en daar oude Keltische monumenten en kruizen. Verder is het landschap, op een enkel dorpje na, helemaal leeg en  op de weg komen we ook niemand tegen. Pas bij Fort William wordt het drukker.

 

Na een snelle tankstop in fort William rijden we verder richting Oban. Het regent zo nu en dan en we verlangen nu toch wel naar een warme douche en een zacht bed.

We hebben een B&B uitgezocht aan het uiterste puntje van Loch Leven, in Kinlochleven.

Terwijl we om het meer heenrijden verbaas ik me over het verschil in de landschappen die we tegenkomen. Links zie ik de Ben Nevis hoog in de wolken verdwijnen en rechts zie ik Loch Leven, een dromerig meer met kleine eilandjes en daarop allemaal berken die de takken druipend laten hangen. Een witte nevel hangt boven het zwarte water en ik verwacht half om half dat er zo een ijle elfachtige verschijning uit naar voren zal komen.

Ik schrik wakker en weet, door een ruk naar links, nog net te voorkomen dat ik deel wordt van het mysterie van Loch Leven. Er gaat een betoverende werking uit van het meer en dat was me bijna fataal geworden.

Even later rijden we, ik met een snel kloppend hart, Kinlochleven binnen. Aan de huizen te zien een relatief jong dorp. Het is onaantrekkelijk, maar op de weg naar het B&B zie ik wel een heel aantrekkelijke pub langs de weg staan en dat maakt een boel goed.

Het B&B is wel heel bijzonder. Het bestaat uit twee verdiepingen en de bovenverdieping is helmaal voor de gasten. Een soort pension. Het hele interieur is in Victoriaanse stijl uitgevoerd en overal zitten roezeltjes (gekleurd kant) of bloemetjes op. Zelfs terwijl ik mij heerlijk sanitair ontspan op het witte porselein zie ik eerst nog een bloemetjesmotief in de binnenkant van de pot staan.

Op de een of andere manier stimuleert dit de stoelgang bepaalt niet. Het is absoluut geen weer om buiten te schijten en ik concentreer me om dit beeld buiten te sluiten.

Ik zal jullie verdere details besparen, maar  na een kwartiertje of zo kom ik met een glimlach weer op aarde terug. Of degene (Rob) na mij ook zal glimlachen betwijfel ik, maar ja daar kan ik eigenlijk niet zo mee zitten. Het moet ook een beetje stinken, zal ik maar zeggen.

De landlord had ons ontvangen vanuit zijn luie stoel in de woonkamer en vanachter de sportpagina van een krant. De landlady zouden we de volgende morgen bij het ontbijt wel ontmoeten, zei hij. Nou en die ontmoeting zal ik niet snel vergeten! Wat een ‘lady’. Maar dat vertel ik later wel.

Na ons geïnstalleerd te hebben in een kamer met allemaal bloemetjes en beeldjes – je wordt gewoon bang iets om te stoten of stuk te maken door je gewoon te bewegen – lopen we het dorp in om in de pub ook de binnenkant nat te maken met een paar enorme glazen van het plaatselijke, roodachtige bier, dat wonderwel goed smaakt. Na een paar glazen kijken we elkaar tevreden aan – Rob laat een lange boer – en bestellen een warme hap. De hele tent zit vol met hikers, dikke wollen truien, stevige schoenen, vreemde mutsen en gebruinde koppen.

Aan onze tafel zit een jong stel uit Londen die vertellen dat ze aan de overkant van de weg bivakkeren in een klein tentje op de camping. Ze hebben inmiddels honderden kilometers door de bergen gesjouwd met al hun bagage op de rug. Niet over de weg, maar gewoon door de bergen, over paden die door de regen en de mist vaak niet te zien zijn. Drinken uit de heldere bergbeken en aan het eind van de dag het tentje opzetten middenin nergens! Dit lijkt me aan de ene kant een zeer gevaarlijke onderneming – het weer kan heel snel omslaan en dan kun je wachten en van de helling afspoelen – maar aan de andere kant lijkt het me geweldig om zo het land en de natuur te ervaren. En dit zijn stadsmensen die dit twee keer per jaar doen, alle respect!

Aan de andere hikers te zien loopt het ook niet altijd goed af. De een hinkt en de andere loopt behoorlijk krom. Ze hebben allemaal een stevige wandelstok bij zich, met daarop allerlei stalen plaatjes met afbeeldingen van de bergen die ze beklommen hebben.

Uit de verhalen maak ik op dat het daar juist om gaat. Ze willen in dit leven alle bergen beklimmen in Groot-Brittannië die in ieder geval 3000 feet hoog zijn. Een rare hobby voor gevaarlijke gekken, want als je op de berg staat kun je deze niet zien en dat lijkt me veel mooier. Ik zeg dit natuurlijk niet, want aan een veldslag tussen Nederlandse bikers en Engelse hikers is in de geschiedenisboeken geen behoefte.

’s Avonds wandelen we terug naar het B&B in volledige stilte. Je hoort niets, geen verkeer, geen overkomende vliegtuigen en geen schetterende radio’s of tv’s.

Moe en voldaan duiken we het nest in en ik verheug me al op de volgende dag.

 

Woensdagmorgen word ik al vroeg wakker en ik kijk naar buiten. Het weer is redelijk! Het is wel bewolkt, maar in ieder geval droog.

Hup, snel naar beneden voor het ontbijt. Op de trap komt me een vette baklucht tegemoet en in de eetkamer komen we er achter dat er nog acht gasten – hoe kan het ook anders, allemaal hikers – aan tafel zitten. Ik sta versteld. Op de tafel staat genoeg voedsel om een heel weeshuis mee te voeden! Verschillende soorten vers fruit, druiven, een verse ananas, appels, peren en zelfs kiwi’s. Zeven soorten marmelade, diverse soorten paté en meerdere franse kaassoorten. Het is teveel om op te noemen. Koffie, thee, vruchtensappen enz.

We beginnen met verse toast en even later komt de landlady, vanuit de naastgelegen keuken, de eetkamer binnen. Ze groet: “Hello boys, had a good sleep? How do you like your eggs?

Bij haar aanblik weten we even niets te zeggen. Ze is ongeveer 1.60 meter groot en heeft dezelfde omvang. Korte beentjes, geen kont, een enorme buik en een rond hoofd zonder nek en daarop rechtovereind staand rood piekhaar.

Een groot T-shirt, dat ooit wit is geweest, spant zich over een paar grote hangende borsten en ze heeft een tricot, zwart geval aan dat te kort is. Haar blote poezelige voetjes steken in roze pluizige pantoffels.

Ze kwam zo uit een verhaal van de gebroeders Grimm “The Gnoom off Loch Leven”. De vetvlekken op haar shirt leken te leven terwijl ze ons verwachtingsvol aankeek. Als schooljongens keken we allebei bedeesd naar het tafelkleed terwijl we een Schots ontbijt bestelden. De vette lucht uit de keuken walmde om haar heen terwijl ze achter het fornuis aan het bakken sloeg. Het benam ons bijna de eetlust, maar we aten toch flink door van de verse spullen die al op tafel stonden. Die had ze in ieder geval niet zelf gemaakt.

Even later kwam ze aan met het Schotse ontbijt. Niet te geloven, wat een berg eten! We kregen allebei een pizzabord vol met een lading gebakken bacon, drie gebakken eieren, black pudding (gebakken bloedworst), gebakken champignons, sausages, een soort gebakken nasischijven, warme tomaten uit de oven met een ondefinieerbare vulling etc.

Helder vet dreef onder in het bord. Heel voorzichtig probeerde ik een stukje bacon op toast en dat smaakte eigenlijk best. Toen ik echter de gebakken eieren proefde smaakten die naar het vet van het bacon. Dat gold ook voor de rest van het eten. Zelfs de tomaten en de champignons smaakten alleen maar naar vet.

Voor de vorm heb ik overal een beetje van gegeten met vooral veel toast en elke hap weggespoeld met koffie en sinasappelsap. Brrr… wat goor! Ik zag dat de andere gasten hun warme hap ook hadden laten staan en terwijl de ‘kokkin’ nog stond te rommelen in de keuken schoven wij de stoelen naar achter en verdwenen stilletjes naar boven om de handel weer in te pakken.

Toen we weer beneden kwamen om af te rekenen zagen we de landlady in de eetkamer zitten met een stuiverromannetje. Ze zat de resten van ons ontbijt gedachteloos naar binnen te schuiven! Deze dame had beslist een probleem en ik schaamde me voor mijn onaardige gedachten over haar.

 

Vandaag zijn we van plan naar Noord Engeland te toeren, naar the valley of Eden, naar het plaatsje Appleby in Westmoreland. Daar ben ik in de eerste jaren bevriend geraakt met Chris, de landlord van een leuke pub, en zijn vrouw Lynne. Chris had me al een keer uitgenodigd om in hun pub te slapen bij het volgende bezoek en daar wilde ik hem nu mee verrassen.

De weg slingert zich tussen de bergen van Glen Coe door. Hoog, kaal, onherbergzaam, een bergstroom dondert met geweld naar beneden om zich in de achtergelegen vallei te verdelen in allemaal stroompjes. De vallei is een naargeestig oord zonder veel begroeiing en vol met bulten stenen. Alsof een vertoornde god de stenen met handenvol over de wereld gegooid heeft. In deze vallei heeft zich in 1692 een van de meest tragische verhalen van Schotland afgespeeld: het bloedbad van Glencoe. In 1691 verleende Willem III gratie aan de clans onder de voorwaarde dat ze voor 1 januari 1692 een eed van trouw hadden afgelegd aan de kroon. De plaatselijke MacDonald-leider ging net voor de deadline met tegenzin naar Fort William om dit te doen, maar bleek naar Inveraray te moeten gaan. Hij kwam daar echter één dag te laat aan. Het regiment in Glen Coe stond onder bevel van een Campbell en tien dagen lang waren zij bij de MacDonalds ingekwartierd. De Campbells ontvingen een boodschap, goedgekeurd door de koning, en zonder waarschuwing vermoordden zij 38 MacDonalds onder het voorwendsel dat deze de eed niet hadden afgelegd.

 

 

 

Ongeveer 300 mensen ontsnapten naar de heuvels, maar deze gruweldaad werd nooit meer vergeten of vergeven. Nu nog zeggen de ouden “Never trost a Campbell”.

Rijdend door deze naargeestige vallei werd ik gepakt door het drama en de tranen kwamen in mijn ogen. Ik voelde gewoon het verraad en de pijn die de moordpartij teweeg had gebracht. Vrouwen, kinderen, oude mensen. Allemaal vermoord.

Alleen de sterkere clanleden waren in staat de bergen in te vluchten. Ik kon bijna zien hoe het gebeurd was en ik moest stoppen om mezelf weer onder controle te krijgen.

Het klinkt misschien overdreven maar het gebeurde me werkelijk. Misschien dat mijn voorvaderen MacDonalds waren en dat mijn genen zich nu roerden. Ik weet het niet!

Na deze naargeestige stop zijn we doorgereden richting Glasgow. De route voerde ons langs het grootste binnenmeer van Schotland, Loch Lomond. Een schitterend meer, gelegen tussen de hoge bergen en in het meer zijn tientallen beboste eilanden te zien. Op sommige grotere eilanden zijn nog heiligdommen van Keltische oorsprong te vinden.

De autosnelweg van Glasgow naar Carlisle voert ons tussen groene heuvels door. Het schiet lekker op en bij Carlisle kunnen we de eerste contouren van The Pennines onderscheiden. The Pennines is het reuzengebergte dat de ruggengraat van Noord Engeland vormt. Omdat Engeland hier maar smal is zijn de hellingen van dit gebergte stijl. Ik kom op bekend terrein en begin weggetjes en ruines te herkennen.

 

 

Even later volgen we de rivier Eden en komen zo in het middeleeuwse stadje Appleby in Westmoreland aan. Het is een mooie oude stad, met vakwerkhuizen en een dorpsplein. Het heeft zelfs zijn eigen kasteel, dat boven op een heuvel staat.

We parkeren de motoren voor de pub, de Crown and Cussion. Gespannen loop ik de pub binnen in de verwachting Chris achter de toog te zien staan en ik ben benieuwd of hij mij zal herkennen na al die jaren.

Tot mijn teleurstelling staat er iemand anders achter de tap en het interieur van de pub is kaal, terwijl het eerder altijd gevuld was met allerlei gezellige rommel zoals oude werktuigen, goedkope schilderijtjes, onzinnige huisregels etc.

We kopen eerst maar een pintje en gaan wat gedesillusioneerd zitten. We raken in gesprek met een paar klanten en al gauw kom ik er achter dat Chris de pub niet meer heeft.

Wat er van Chris en Lynne geworden is weet deze klant mij niet te vertellen. Even later zie ik een bekend gezicht. Anthony, de barhulp van weleer komt binnen en terwijl ik hem herken kijkt hij mij vragend aan. Terwijl ik hem op weg help begint het hem ineens te dagen. Oh ja, die Nederlandse motorrijders van een paar jaar geleden! Maar jij had toch langer haar met een staart? Inderdaad, maar toen niemand zich daar meer aan stoorde ben ik maar es naar de kapper gegaan en heb alles eraf laten halen.

Anthony vertelt ons dat Chris de pub verkocht heeft en inmiddels manager is van een nabijgelegen vakantiepark. Anthony is nu zelf de landlord van de Crown and Cussion en hij heeft helaas geen slaapplaats voor ons omdat ze afgelopen weekend de Horsefair gehad hebben en alles nog een puinhoop is. Volgens Anthony geldt dat voor de meeste pubs en ook voor de B&B’s in Appleby en hij geeft ons weinig hoop op een slaapplaats of zelfs op een warme hap. Ja, dat zal lekker worden! Rijden we dat hele eind om oude vrienden terug te zien en om ’s avonds gezellig een pintje te drinken met de hele club en dan blijkt dat de vrienden er niet meer zijn en dat de pub niet meer gezellig is en dat van het slapen of het eten ook wel niks terecht zal komen. Mooie boel is dat!

Zo zie je maar weer, van al die mooie plannen komt veelal niets terecht, het komt altijd anders, op een onverwachte manier.

Eerst zijn we teleurgesteld, maar weer buiten hebben we toch voldoende vertrouwen om te geloven in een goede afloop. En die goede afloop kwam op hetzelfde moment naar ons toelopen. Een van de klanten uit de pub komt naar ons toe en begint bewonderend over onze motoren te spreken. Hij heeft zelf op zo’n ding door Nederland en Duitsland gecrost en denkt met weemoed aan die tijd terug. Nu is hij de trotse eigenaar van een Inn, even verderop in het dorpje Hoff en komt er van motorrijden niks meer.

Hij heeft van onze problemen gehoord en nodigt ons uit te verblijven in zijn Inn. Ze zijn in verband met de Horsefair nog niet open en ze hebben ook geen B&B, maar wel twee logeerkamers en als we echt niks kunnen vinden in Appleby, dan zijn we van harte welkom.

Wat een aanbod! Geweldig, dat is pas echte gastvrijheid. We proberen voor de vorm toch nog twee B&B-adressen in Appleby, maar de ene is gesloten en de andere vol.

 

 

Vol goede moed keren we de motoren en rijden naar Hoff door een lieflijk landschap met groene heuvels, de beroemde groene hoge heggen langs de weg en zelfs met Nederlandse koeien in de wei.

We komen aan bij de The New Inn (zie foto boven) en binnen worden we hartelijk ontvangen. Omdat de tent nog dicht is draait de gastheer zijn eigen muziek, Pink floyd, de Stones en meer van dat moois. Hij tapt ons een paar grote pinten lokaal bier in en dan kan het helemaal niet meer stuk. Zijn vriendin maakt intussen een heerlijke maaltijd voor ons klaar en even later zitten we dankbaar te smullen van een Yorkshire stew. Heerlijk, het is bijna thuis komen!

We zitten nog gezellig te kletsen over zijn periode on the mainland wanneer de eerste gasten binnenkomen voor hun dagelijkse medicijn. Boeren, burgers en buitenlui die onder luid betoog de gebeurtenissen van de dag, het voetballen, de koeien, het weer en van allerlei andere zaken, behalve de politiek met elkaar uitwisselen. Luid gelach, een klap op een schouder, nog een pint niet schuimend bier, de pet half op het achterhoofd, de handen afvegend aan de overal. Blozende, lachende gezichten met een stompje sigaar in de mondhoek of een pruim achter de kiezen, die een koeterwaals spreken waar ik niets van kan verstaan.

De eerste gasten vertrekken weer en stappen in hun bemodderde Jeep of op hun tractor en even later blijven we met z’n vieren over. Moe zoeken we onze bedden op en ik val onmiddellijk in slaap. Morgen de laatste dag en dan weer naar huis.

 

Donderdagmorgen, ik sta toch enigszins watterig op en probeer te begrijpen wat de volgende actie moet zijn. Oh ja, als de bliksem naar het toilet en dan douchen. Pffff… dat lucht op!

Rob komt ook behoorlijk verkreukeld zijn nest uit en de enige actie die zijn brein kan produceren is het krabben aan zijn zak en het laten van een scheet. Kennelijk heb je geen schuim op het bier nodig om met waterige oogjes er de volgende dag toch een enorme domme grijns mee op je smoel te toveren.

Ik wacht niet tot de ranzige lucht mij bereikt, maar vlucht de douche in. Ha, daar wordt je wakker van! We strompelen naar beneden en voelen ons pas echt beter na het ontbijt, jawel met bacon and eggs. Een paar koppen koffie later hebben we de kaart van Noord Engeland op tafel liggen en stippelen de route voor vandaag uit. We zijn van plan, via kleine weggetjes langs en over de Pennenines te rijden om dan via Hadrians Wall – de meest Noordelijke Romeinse grens in Europa – terug naar New-Castlle te gaan.

We nemen hartelijk afscheid van onze gastheer (ik kan me zijn naam niet herinneren, dom) en bedanken hem uitbundig. Het is prachtig weer en we hebben vandaag maar tweehonderd kilometer voor de boeg, dus we kunnen het rustig aan doen. Langs de route zien we overal de resten van de Horsefair. De Horsefair is een jaarlijks pinksterfestijn in Appleby en wordt georganiseerd rond Europa’s grootste paardenmarkt. Zigeuners komen uit heel europa hier naar toe om met hun families en vrienden vier dagen lang feest te vieren en natuurlijk voor de paardenhandel. Het gaat dan om duizenden mensen en evenveel paarden. De paarden worden dagelijks de rivier Eden ingedreven zodat ze schoon op de markt staan. Ik heb me dit laten vertellen door de locals, maar heb het helaas nog nooit zelf meegemaakt. De zigeuners komen met eigen wagens en de meeste worden nog getrokken door de paarden.

Onderweg zagen we toch nog verscheidene zigeunerwagens in de velden staan. Veelkleurig houtsnijwerk en voorstellingen sierden de wagens.

Boven op de Pennines zoeken we een restaurant op om even rustig te eten. De hele tent zit vol met zigeuners en het is een lawaai van jewelste. Dit zijn echt zigeuners zoals je die nog in films ziet. Zuid Europese types waarvan de oudere mannen verweerde bruine koppen hebben met gouden oorringen, een halsdoek om en mooie zachtleren laarzen aan. De vrouwen zijn prachtig om te zien. Zelfs de oudere vrouwen hebben een mooie, zelfverzekerde uitstraling met hun donkere ogen.

Vanuit het restaurant hebben we een wijds uitzicht over de omgeving. We kunnen de groene vallei onderaan de Pennines zien liggen en in de verte zien we de bergpieken van het Lakedistrict omhoog steken. Daar heb ik in het verleden ook al verschrikkelijk mooie tochten gemaakt op weggetjes die klommen met 37%.

Een hoog, wreed en koud landschap waartussen uitgestrekte meren liggen, zoals het Lake Windermere en Lake Coniston, waar ooit het wereld speedbootrecord werd verbroken. Ik kan me uit mijn jonge jaren herinneren dat de Blue Bird hier over de kop sloeg met meer dan 500 km/uur!

 

 

De weg slingert zich tussen muurtjes en langs oude boerenhoeven naar beneden, richting Hadrians Wall. Op de weg, die zich gedeeltelijk op de oorspronkelijk muur bevindt, zien we een leeg landschap met glooiende groene heuvels met daarin scherp afgetekende richels en geulen. Oorspronkelijk bestond de muur uit geulen en een hoge houten palissade en werd er zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de natuurlijke vorm van het land voor het opwerpen van versperringen. De muur werd later aangepast en uiteindelijk was deze van steen, op de breedste plaatsen zes meter breed en op sommige plekken negen meter hoog. Op veel plekken waren poorten aangebracht en daarachter waren de Romeinse legioenen ondergebracht in ommuurde vestingen. De overblijfselen hiervan zijn overal langs de huidige resten van de muur te zien.


 

 

Terug aan boord zijn we moe van alle avonturen. We gaan na het diner onderuitgezakt in de nachtclub zitten en bestellen een lekkere whisky. Na al het moois dat we gezien hebben kunnen de dansmariekes ons niet echt meer bekoren en we duiken al snel de kooi in.

 

Hoewel het ook nu weer jammer is dat we terug naar huis moeten hebben we deze keer zoveel gezien en meegemaakt dat het emmertje echt wel vol is! We hebben over het algemeen gesproken prima motorweer gehad, veel bijzondere mensen ontmoet en we hebben kunnen genieten van een zeer afwisselend en weergaloos mooi landschap. Mooier kan het niet worden en ik weet zeker dat ik volgend jaar weer richting Schotland ga. Het afscheid is dus maar voor even.

 

En waar gaat de buitenlandreis van de Magna Motor Club in juni 2004 dus naar toe?

Yes, naar Schotland!!! Daar wil ik een aantal nieuwe routes uitzetten en wil ik jullie ook een deel van de hierboven beschreven landschappen laten zien.

 

Met het schrijven van dit reisverhaal is de onrust bij mij alweer begonnen en ik ben inmiddels al op verkenning om er ook in 2004 voor iedereen die mee wil een onvergetelijke ervaring van te maken.